Lokale heffingen

OZB

De heffingsgrondslag voor de onroerendezaakbelastingen (OZB) is de totale WOZ-waarde van de onroerende zaken, oftewel de WOZ-capaciteit. Deze wordt vastgesteld volgens de regels van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Voor 2021 gelden de WOZ-waarden met als waardepeildatum 1 januari 2020. De OZB wordt berekend naar een percentage van de WOZ-waarde van de onroerende zaak. Basis voor de ontwikkeling van deze percentages (in casu tarieven) zijn de begrote OZB-opbrengsten, de inflatiecorrectie, de verwachte waardeontwikkeling van woningen en niet-woningen en de verwachte leegstand bij gebruik niet-woningen.

Tariefsaanpassing 2021
Met de Kadernota 2021 is de inflatiecorrectie vastgesteld op 1,9%. Om de OZB-opbrengsten van het bestaande areaal daadwerkelijk met 1,9% te laten stijgen, houden we rekening met een correctie voor de waardeontwikkeling en voor het tarief gebruik niet-woningen met leegstand. De WOZ-waardeontwikkeling van 1 januari 2019 naar 1 januari 2020 is, door Gemeentebelastingen en Basisinformatie Drechtsteden (GBD), voor woningen geprognosticeerd op 8,0% en voor niet woningen op 1,0%.


Vervangen macronorm OZB door benchmark lokale lasten
Om onevenredige stijging van de collectieve lastendruk te voorkomen heeft het Rijk vanaf 2007 tot en met 2019 een beperking gehanteerd op de stijging van de totale OZB-opbrengst in de vorm van een macronorm. Deze norm hield in dat de opbrengst van de OZB van alle gemeenten samen niet meer mocht stijgen dan de reële trendmatige groei van het bruto binnenlands product plus de prijsontwikkeling. De macronorm was lange tijd onderwerp van discussie. Met de 'Evaluatie systematiek macronorm onroerende zaakbelasting' (2014) is uiteindelijk geconcludeerd dat de macronorm geen effectief beheersingsinstrument is. Het kabinet vond de in dit rapport opgenomen alternatieven voor de norm toen echter onvoldoende uitgewerkt om meteen te besluiten tot het afschaffen hiervan.

Gezamenlijk overleg tussen het Rijk en de VNG heeft geresulteerd in de introductie van een benchmark vanaf 2020, zo schrijft minister Ollongren eind april 2019 aan de Tweede Kamer, waarin naast de OZB ook de riool- en afvalstoffenheffing worden vergeleken. Volgens de minister past de invoering van de benchmark, die wordt samengesteld door het COELO en opgenomen in de Atlas van de lokale heffingen, goed binnen de autonome beleidsbevoegdheid van gemeenten ten aanzien van de lokale heffingen. Aan de hand van de gegevens uit de benchmark kan, tijdens het Bestuurlijk overleg financiële verhouding (Bovf), het gesprek gevoerd worden over de ontwikkeling van de lokale lasten. Zie voor de resultaten van de benchmark 2020 Zuid-Holland het onderdeel Benchmark lokale lasten .

Deze pagina is gebouwd op 01/08/2021 08:38:05 met de export van 01/08/2021 08:24:15